Richard Outcault - Martin Branner (1902–1938)
De geschiedenis van de strip begint in 1902. In dat jaar verscheen er in een Amerikaanse krant een strip met het jongetje Buster Brown in de hoofdrol, getekend door Richard Felton Outcault. De strip werd een succes, en voortgezet tot 1921.
Perry Winkle (het woord 'periwinkle' kan maagdenpalm betekenen, maar ook alikruik) lijkt in vele opzichten op zijn voorganger Buster Brown. Hij heeft ook een pagekapsel en draagt een matrozenpakje. Hij figureert in de door Martin Branner getekende krantenstrip en heeft een zusje Winnie Winkle.
Perry Winkle verscheen in 1926 in Frankrijk onder de naam Bicot, Président de club.
Vanaf 30 december 1927 verscheen Perry Winkle ook in Nederland, eerst op de achterkant van het weekblad De Humorist en vanaf 1930 in de kinderbijlage van het blad Panorama.
In de Verenigde Staten ging de zondagspagina van 'Perry Winkle' steeds meer over naar de avonturen van het zusje Winnie Winkle. Hierdoor raakte uitgever De Spaarnestad zonder materiaal voor hun Panorama-bijlage. Het Chicago Tribune-New York News Syndicate stemde in met het verzoek van Lou Vierhout om een lokale productie van 'Perry Winkle'-strips in Nederland te starten. In 1938 werd Frans Piët door De Spaarnestad aangenomen als tekenaar en de eerste 'Sjors'-pagina met zijn initialen verscheen op 31 maart van dat jaar. Aanvankelijk zette hij 'Sjors van de Rebellenclub' voort in de gag-opzet van Branner, met hulp van zijn vrouw Mary voor de teksten. Uiteindelijk verwijderde Piët echter bijna alle personages van Branner, waaronder Winnie Winkle, Perry's ouders en zijn hele Rinkydinks-club. Alleen Perry (Sjors) bleef over, maar hij werd aangepast om een meer Nederlandse omgeving en uitstraling te krijgen.
Sjors van de Rebellenclub door Frans Piët (1938–1969)
Om de strip een Nederlandse setting te geven, stuurde Piët Sjors weg om bij zijn oom Teunis en tante Rika te wonen in het fictieve dorp Natteveen. De tekenaar bedacht zelf nog meer personages, waaronder Sjors' vriend Dikkie, een mollige boerenzoon met pet, kiel, kniestuk en klompen. Hij ontmoette ook de gepensioneerde kolonel Snork en zijn knappe en modieuze dochter Sally. Ten slotte werd het hele decor aangepast aan de Nederlandse context. De Amerikaanse wolkenkrabbers en stadsstraten werden vervangen door windmolens, wilgen en een meer typisch Nederlands dorpsbeeld. Vanaf dat moment had Piët in feite een volledig nieuwe en originele strip, waarvan alleen het titelpersonage nog enigszins leek op Branner’s originele strip. In 1939 verscheen het eerste verhaal in albumvorm.
Begin 1942 leidde het papiertekort tijdens de oorlog en een decreet van de nazi-onderdrukker tot het einde van de Panorama-bijlage 'Sjors van de Rebellenclub', waarna de strip van Piët werd overgeplaatst naar de reguliere pagina's van Panorama, waar hij tot 1944 bleef staan. Tijdens de oorlogsjaren maakte Frans Piët bovendien de gagstrip over het mooie meisje 'Jossie Jovel' (1941-1942) voor De Humorist.
Sjors... en Sjimmie!
In 1946 keerde Panorama terug in de kiosken en werd de 'Sjors'-strip ook weer hervat. Na de Tweede Wereldoorlog kreeg redacteur en schrijver Lou Vierhout het idee om de 'Sjors van de Rebellenclub'-gagstrip om te vormen tot een avonturenserie met langere en spannende verhalen. Personages zoals de kolonel, Sally en Dikkie verdwenen en keerden pas terug toen Piët’s opvolgers in de jaren 60 en 70 hun versie van de strip creëerden. De nieuwe 'Sjors'-strip, die achterin Panorama verscheen, trok al snel een groot publiek en boeide een hele generatie. In januari 1949 verscheen het eerste verhaal van Piët en Vierhout, met ‘Sjors als circusartiest’, in Panorama. Na een paar afleveringen vond Sjors een nieuwe sidekick in de zwarte jongen Jimmy, de zoon van de schilder en kok van het circus. Piët baseerde het personage op Simmy uit zijn eerdere stripverhaal uit de jaren 30. Jimmy, die al snel bekend werd als Sjimmie, was een stereotiep zwart jongetje met krullend haar, oorbellen en dikke lippen. Vreemd genoeg sprak hij aanvankelijk perfect Nederlands, maar in latere afleveringen begon hij een soort kreupele uitspraak te gebruiken. Daardoor leek het personage veel naïever en hulpelozer dan in zijn eerste avontuur.
Vanuit een modern perspectief gezien, oogt Piët’s versie van Sjimmie racistisch. Het personage was duidelijk een product van een ander tijdperk. Pas halverwege de jaren 60 veranderden de opvattingen, en het duurde tot 1969 voordat Sjimmie door Piët’s opvolgers opnieuw werd vormgegeven. In de verhalen van Piët behandelde Sjors Sjimmie echter altijd als zijn gelijke en beschouwde hem als zijn beste vriend. In die zin tonen Sjors en Sjimmie dezelfde onafscheidelijke vriendschap als het vergelijkbare stripduo Blondin en Cirage (Blondie en Blinkie van de Belgische pionier Jijé.
Piët en Vierhout stuurden hun helden naar plekken waar de gemiddelde Nederlander in de jaren ’50 slechts vaag van had gehoord. Zoals de meeste striptekenaars uit die tijd, namen ze niet de moeite om veel tijd te besteden aan documentatie, wat resulteerde in een reeks spannende maar ook naïeve avonturen met indianen, tijgers, smokkelaars en andere boeven. Sjors en Sjimmie reisden door Europa, Amerika en Arabië en belandden uiteindelijk in het fictieve Noord-Amerikaanse land Minasoussa. Minasoussa was alleen in naam Noord-Amerikaans, want het land zag er in principe Nederlands uit. Dat verklaart misschien waarom Sjors en Sjimmie zich daar in 1954 vestigden, nadat ze een flinke som geld hadden ontvangen als beloning voor het ontmaskeren van een paar goudsmokkelaars. Ze trokken in bij dokter Theodoor Sikkema, Sjors' nicht Sally en een stotterend kind genaamd Knebbeltje. De precieze familieverhoudingen werden in het midden gelaten. Scenarioschrijver Vierhout werd inmiddels vervangen door Piëts neef Hans Keller, die zich meer richtte op menselijke relaties in plaats van exotische locaties. Deze nieuwe richting paste beter bij Piët’s tekeningen, omdat hij sterker was in het weergeven van karakterexpressies dan in het tekenen van achtergronden.
In de tweede helft van de jaren vijftig werden magische elementen in de stripverhalen geïntroduceerd. In het verhaal 'Sjors en Sjimmie in Wonderland' (1958) stuurde een zeepbellenman die wensen vervulde de helden naar het jaar 3000. Piët bracht een paar ridders weer tot leven in 'Op Zoek naar de Zwarte Ridder' (1959, geschreven door Toon Kortooms) en stuurde zijn personages naar een steentijd met zowel dinosaurussen als holbewoners in 'De Tijdmachine' (1960). Later in dat verhaal reizen Sjors en Sjimmie met Columbus naar Amerika, waar ze indianen en zelfs tijgers tegenkomen. In 'Sjors en Sjimmie in de Rimboe' (1961) gaan de personages naar Afrika, dat Piët presenteert als één groot land met één taal. In een later avontuur uit het midden van de jaren zestig waagden ze zich zelfs in de ruimte, toen ze naar de zogenaamde Pinto planeet reisden.
Terwijl Piët en zijn schrijvers de strip 'Sjors' maakten voor het tijdschrift Panorama, werd er tussen juni 1947 en januari 1948 een ander tweewekelijks supplement met de titel 'Sjors' uitgegeven door De Spaarnestad. Twee jaar later, op 15 september 1950, werd er een nieuw supplement gelanceerd, ditmaal genaamd Rebellenclub. Vanwege Piët’s drukke werkzaamheden – hij produceerde twee wekelijkse pagina's voor Panorama – kon hij alleen de gagstrip 'Uit de Luierjaren van Sjors' (1950-1954) aan deze publicatie bijdragen. De strip, die over Sjors' jonge jaren ging, verscheen ook in Grabbelton onder de titel 'Streken van een Kleine Strop'. Grabbelton was het supplement van Katholieke Illustratie en had vrijwel dezelfde inhoud als Rebellenclub. Een andere opmerkelijke strip die in Rebellenclub verscheen, was 'Pier Paniek en Suzie Rebel, Het Zusje van Sjors' van Jacques Bouwman. Het ging over de avonturen van Sjors' zus Suzie, die technisch gezien hetzelfde personage zou moeten zijn als Martin Branners 'Winnie Winkle'. Zowel de 'Luierjaren van Sjors' als de 'Pier Paniek'-strips waren echter vermoedelijk Britse strips, die voor hun Nederlandse publicatie respectievelijk door Piët en Bouwman werden nagetekend. De namen van de hoofdpersonages werden gekozen om in het Sjors-universum te passen. Sommige 'Luierjaren'-strips in het tijdschrift Sjors zijn echter gesigneerd door Frans Piët.
De Spaarnestad-kunststudio
Na het vertrek van Jacques Bouwman in 1952 werd Frans Piët hoofd van de interne kunststudio van De Spaarnestad aan het Nassauplein in Haarlem. Daar waren andere vaste tekenaars zoals Harry Balm, Bert Bus, Nico van Dam, Jan Giling en Ab Schatorjé verantwoordelijk voor het grootste deel van de illustraties in de vele tijdschriften van de uitgeverij. Schatorjé volgde Piët later op als studioleider. In september 1954 werden de kinderbijlagen Rebellenclub, Grabbelton en Tombola voortgezet als het onafhankelijke tijdschrift ‘Sjors van de Rebellenclub’. Frans Piët bleef echter verbonden aan de strip 'Sjors en Sjimmie' in Panorama, dus werden andere tekenaars ingeschakeld om de titelstrip voor het nieuwe tijdschrift te maken. Het tijdschrift Sjors begon met het verhaal 'Sjors en de Verschrikkelijke Sneeuwman', een avonturenserie van Hans Ducro. Daarna speelde Sjors van de Rebellenclub Sjors, zonder Sjimmie, in een nieuwe gagstrip van Carol Voges.
Een nieuwe Sjors
In 1963 had het tijdschrift Panorama zijn algehele uitstraling veranderd, waarbij de titel moderner en sensationeler werd. Daardoor voelde Frans Piët’s 'Sjors en Sjimmie' niet meer op zijn plek in het tijdschrift en werd het datzelfde jaar overgeplaatst naar het tijdschrift Sjors. Deze overplaatsing viel samen met een van de vreemdste restylings in de stripgeschiedenis. In een aflevering uit oktober 1964 ontvangt Sjors, die nog steeds in Minasoussa is, een brief van zijn ouders waarin ze hem vragen terug naar huis te komen. Sjimmie ontvangt, vreemd genoeg, geen dergelijke brief van zijn eigen ouders en blijft achter. Terwijl Sjimmie met verdriet afscheid neemt van zijn vriend, troost Sjors hem door te zeggen dat Sjimmie "nu nieuwe avonturen kan beleven met de buurjongen", die toevallig ook Sjors heette, maar er compleet anders uitzag. Waar de eerste Sjors blond haar had, had de nieuwe Sjors pittig oranje haar en een mutsje. Er werd verder niets aan de serie veranderd en de pasgeboren Sjors bleef Sjimmie's tegenspeler tot Frans Piët in 1969 met pensioen ging. Men vermoedt dat de redactie vond dat Sjors' "lange" kapsel te veel leek op de "vieze" Beatles-kapsels die destijds in de mode waren. Achteraf gezien was deze censuur eigenlijk verbazingwekkend, aangezien Sjors zijn kapsel al sinds zijn debuut 26 jaar eerder had, zonder dat iemand er ooit over had geklaagd.
'Sjors en Sjimmie' na Piëts pensioen
Piët’s laatste verhaal verscheen in Sjors nummer 23 van 1969, en in het volgende nummer presenteerde zijn opvolger Jan Kruis zijn gemoderniseerde versie van de strip. Zowel de originele Sally als de Kolonel, die Piët in de jaren 30 had bedacht, keerden terug en de setting werd verplaatst naar het fictieve Friese eiland Schiermeeuwenoog. Na twee verhalen te hebben geschreven, werd Kruis op zijn beurt opgevolgd door Jan Steeman en scenarioschrijvers zoals Frans Buissink, die de avonturenserie 'Sjors & Sjimmie' voortzetten tot het laatste nummer van Sjors magazine in 1975. Toen Sjors en concurrent Pep fuseerden tot het nieuwe weekblad Eppo, onderging de 'Sjors & Sjimmie'-strip de grootste restyling ooit. Getekend door Robert van der Kroft en geschreven door Wilbert Plijnaar en Jan van Die (ook bekend als het "Wiroja"-team), ontwikkelde het zich tot een eigentijdse strip van hoge kwaliteit, volledig gericht op het tienerleven in de jaren ’80 en ’90. Deze versie van de strip verscheen vervolgens in alle opvolgende tijdschriften van Eppo: Sjors & Sjimmie Stripblad, SjoSji en Striparazzi. Toen in 1999 het laatste nummer van Striparazzi van de persen rolde, leek de serie definitief te zijn gestopt. Sinds 2019 maken de Wirojas echter nieuwe afleveringen in elk nummer van het striptijdschrift Stripglossy.
Albums
Martin Branner
50 vroolijke vertellingen 1936
Vijftig nieuwe vrolijke vertellingen 1937
Frans Piët
Negen en tachtig nieuwe vrolijke vertellingen 1939
Negen en tachtig nieuwe vrolijke vertellingen 1940
Sjors en zijn vrolijke avonturen 1949
Sjors van de Rebellenclub, als circusartiest 1950
Bij de Indianen 1951
Bij de Arabieren 1952
En de tijger 1953
Nieuwe avonturen 1954
Op weg naar Minasoussa 1955
Avonturen in Minasoussa 1956
Op vakantie 1957
In Wonderland 1958
Op zoek naar de Zwarte Ridder 1959
De tijdmachine 1960
In de rimboe 1961
De bibberziekte 1962
Bij de baanbrekers 1963
Als journalisten 1964
Naar de Pintoplaneet 1965
De geheimzinnige duikboot 1966
Het verdwijnmiddel 1967
En de bromstar 1968
De gasbel 1969
De koekfabriek 1970
Als voetballers 1971
Sjors voorzitter van de Rebellenclub 1972 Deel 1 t/m 4
Sjors als circusartist & Bij de Indianen 1972
Bij de Arabieren & En de tijger 1972
Op weg naar Minasoussa & Avontuur in Minasoussa (deel 1) 1974
Avontuur in Minasoussa (deel 2) & Op vakantie 1974
Jan Kruis
Raadsels op Schiermeeuwenoog & De ring van Schiermeeuwenoog 1972
Jan Steeman
De boorbazen & De pretvispiloten 1973
De verdwijners 1974
De zilte zeezeilerij 1975
Verhalenboek 1977
Verhalenboek 1978
Verhalenboek 1979
Verhalenboek 1980
Verhalenboek 1981
Verhalenboek 1982
Wiroja's (Scenario: Wilbert Plijnaar en Jan van Die - Tekeningen: Robert van der Kroft)
En de rebellenclub 1977
De brokkenmakers 1978
De plaaggeesten 1978
De belhamels 1979
De doerakken 1980
De donderstenen 1981
De rausdouwers 1982
De flierefluiters 1983
De rampestampers 1984
De lefgozers 1985
Smashhits 1986
Bad boys 1987
Kassa! 1987
Adios! 1988
Amigos! 1988
In love 1989
Snapshots 1989
Retour afzender 1989
Proefwerk 1990
Hot dogs 1990
Gevaarlijk spel 1990
Voltreffers 1991
Records 1991
Superkolonel 1991
Feest! 1992
Bloedbroeders 1992
Prins Sjors 1993
Paintball 1993
Nieuws! 1994
Raar maar haar 1994
Dikke pret! 1995
Soap 1995
Tattoo! 1995
Censuur 1996
Dream-team 1996
Alarm! 1996
Speed! 1997
Indoorsurfen 1997
Bestseller 1997
Skate-gevaar 1998
Robot wars 1998
Blootbrillen 1999
Volle bak 1999
Onder invloed 2000
Call girl 2000
(Bron: Lambiek Comiclopedia en Wikipedia)





























































